Geplaatst door: 
Verhaal

De N.V. Katoenmaatschappij Scholten en Compagnie

Auteur: 
Gemeentearchief Almelo

Het vervaardigen van textielproducten ontstond oorspronkelijk vanuit de agrarische huishouding. ’s Winters, als er weinig op het land te doen was, verdienden agrarische families een centje bij met spinnen en weven. De vervaardigde stoffen werden aan rondtrekkende kooplieden verkocht.

Tot circa 1830 betrof het hier, voor de arme plattelandsbevolking, een leuke bijverdienste. Het verbouwen van landbouwproducten vormde nog steeds de belangrijkste inkomstenbron voor de plattelandsbevolking. Vanaf 1830 tijd namen een aantal kooplieden het initiatief tot het plaatsen van weefgetouwen in kleine werkplaatsen of pakhuizen, die door stoommachines werden aangedreven. Een aantal van deze kleine werkplaatsen groeiden uit tot omvangrijke textielfabrieken.

Zo richtten op 2 december 1859 de broers Barend, Gerrit, Jan Frederik en Jan Scholten een vennootschap op. De vennootschap opereerde onder de naam Gebroeders Scholten en Compagnie. De weefgetouwen werden vanaf het begin met behulp van stoommachines aangedreven. Het bedrijf produceerde vooral cambrics en shirtings (specialistische fijne weefsels) voor de markt in Nederlands Indië. Van de totale productie ging ruim ¾ naar Indië. De laag opgeleide arbeiders werden slecht betaald, wat de nodige onvrede veroorzaakte. De meest bekende uiting van deze onvrede is de bekende werkstaking die van januari tot april 1888 duurde. De aanleiding van het conflict vormde de aangekondigde loonsverlaging van 10 procent. Pas na vele bemiddelingspogingen, en onder grote druk van de publieke opinie, werd de loonsverlaging van 10 procent omgezet in een verlaging van slechts 2 procent. Destijds werd het bereikte resultaat als een overwinning van de arbeiders beschouwd! In de periode van 1906 tot 1913 maakte de fabriek een grote expansie door. Vooral de afzet in Indië groeide enorm. In 1908 werd begonnen met de bouw van de zo bekende fabrieksschoorsteen. Ondertussen was de naam van de fabriek veranderd in N.V. Katoenmaatschappij voorheen Gebroeders Scholten en Compagnie.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 gooide roet in het eten. Ondanks het feit dat Nederland neutraal was, ondervonden de transporten naar Indië de nodige hinder van de oorlogshandelingen. Met succes richtte de bedrijfsstrategie zich nu op de binnenlandse markt. De voorraad cambrics (een zeer fijne doeksoort) werd hier verkocht om er zakdoeken en luxe overhemden van te vervaardigen. Na het einde van de Oorlog in 1918 werd de binnenlandse markt niet meer prijs gegeven. In het begin van de twintiger jaren was 1/3 deel van de productie bestemd voor de binnenlandse markt.

Ondanks dit succes bleef het bedrijf vooral voor de Indische markt produceren. Exporteren naar de Oost stond garant voor een grote productiviteit en goedkope seriematige productie. De binnenlandse markt was echter veel complexer en was bovendien veel gevoeliger voor mode ontwikkelingen. Voor deze markt zou een veel uitgebreidere afzetorganisatie moeten worden opgebouwd. De keuze voor de Indische markt was dus tevens een keuze voor de weg van de minste weerstand. Maar voorlopig was
er nog niets aan de hand en werd de fabriek als gevolg van de toenemende productie in de jaren twintig nog steeds verder uitgebreid. In de jaren dertig werd de firma Scholten hard door de crisis getroffen. In 1933 bedroeg het aantal bedroeg het aantal weefgetouwen circa 1500. Tegen het eind van de dertiger jaren was dit aantal tot 1100 geslonken. Gedurende de Tweede Wereldoorlog slonk de productie nog verder.

Na de bevrijding werd duidelijk dat de Indische Markt voor een groot deel als verloren moest worden beschouwd. Met dit besef brak voor de firma Scholten een periode aan van reorganisatie. De fabriek richtte haar aandacht vooral op het produceren van producten voor de West-Europese markt. Deze markt zat niet te wachten op de massale productie van textielweefsels, maar juist om hoogwaardige eindproducten. Vanaf eind jaren veertig produceerde de fabriek onder andere vitrages, zakdoeken en stoffen voor overhemden.
Tevens werd er naar samenwerking met andere textielbedrijven gestreefd. Zo kwam er een samenwerking tot stand met het spinnerijbedrijf van L. van Heek en Zonen te Losser, waarna de naam werd omgedoopt tot de N.V. van Heek – Scholco. Uiteindelijk werd de productie in zijn geheel naar Losser verplaatst. In 1990 werden de laatste fabriekshallen gesloopt. Slechts de fabriekspijp en de portiersloge herinneren ons nu nog aan dit bekende Almelose textielbedrijf.

Reacties