Geplaatst door: 
Verhaal

Omstreden begrafeniskosten

Van 1795 tot 1813 was ons land bezet door het leger van de Franse keizer Napoleon. Gedurende de zogenaamde ‘Franse tijd’ werd in ons land de gehele overheidsadministratie, inclusief het leger, gereorganiseerd. Nieuw was dat voor het eerst de dienstplicht werd ingevoerd.

Een van de dienstplichtige soldaten was luitenent Wouter Idskesz Krooij, geboren te Sneek. Hij behoorde tot de Franse bezettingsmacht te Dantzig (nu Gdansk in Polen). Na de
bevrijding van Dantzig in november 1813 door de Russen, ging Krooij over in een door de Hollanders aldaar gevormd Oranje legioen. Op 8 februari 1814 kreeg dit detachement
verlof om naar Holland af te reizen.
Het Oranje legioen arriveerde op 8 maart in Almelo. Op de 9e vertrok het legioen verder in de richting van Deventer met gebruik van drie alhier gevorderde wagens.
De gezondheid van luitenant Krooij, die al geruime tijd niet optimaal was, liet verder reizen voor hem niet toe. Hij werd in Almelo ingekwartierd in het huis van de weduwe van Idsko
Hoekstra. (de weduwe was getrouwd geweest met een neef van de vader van luitenant ). Op 13 maart 1814 overleed luitenant Krooij, 24 jaar oud.
Door tussenkomst van de Almelose burgemeester van Riemsdijk kreeg de officier “een fatsoenlijke, aan zijn rang overeenkomstige wijze” begrafenis. Waarschijnlijk werd luitenant Krooij op de inmiddels geruimde begraafplaats op het huidige Kerkplein begraven.
De weduwe Hoekstra vatte dit handelen van de burgemeester op als “het is geschied uit naam van de burgemeester” en die zorgt dan ook voor de betaling van de kosten. De burgemeester wilde echter de kosten van de begrafenis door het Ministerie van Oorlog laten betalen. Inmiddels had de weduwe Hoekstra de begrafeniskosten van 90 gulden uit eigen zak betaald, in de veronderstelling dat zij het geld spoedig van de gemeente terug zou ontvangen. Niets zou echter minder waar blijken te zijn. Burgemeester van Riemsdijk had zich ondertussen tot het Ministerie van Oorlog gewend, met het verzoek de begrafeniskosten aan de weduwe te voldoen. Het Ministerie gaf te kennen dat niet aan het verzoek te willen voldoen. Volgens het Ministerie moesten de kosten voor de begrafenis door de familie van luitenant Krooij betaald worden. Hierop schreef burgemeester van Riemsdijk aan de weduwe Hoekstra dat zij zich opnieuw tot de gemeente kon wenden wanneer de erfgenamen van Krooij de begrafeniskosten niet konden betalen.
De weduwe was door deze reactie zeer gebelgd en besloot het hogerop te zoeken. Zij wendde zich tot de Gouverneur van de provincie Overijssel om bemiddeling. Hierop vroeg de Gouverneur aan burgemeester van Riemsdijk om opheldering. Van Riemdsijk antwoordde de Gouverneur dat de weduwe de kosten voor de begrafenis vrijwillig had voorgeschoten en dat zij er zelf voor moest zorgen het voorgeschoten bedrag van 90 gulden van de familie van luitenant Krooij terug te krijgen. Volgens de burgemeester kon de weduwe Hoekstra weer bij de gemeente aankloppen als zij aannemelijk kon maken dat de familie van luitenant Krooij niet vermogend genoeg was om de kosten van de begrafenis te voldoen. Tot op heden had de weduwe Hoekstra niet kunnen aantonen dat de familie van luitenant Krooij onvermogend was.
De Gouverneur gaf hierop burgemeester van Riemsdijk het advies de zaak af te doen door aan de weduwe Hoekstra het bedrag van 90 gulden voor de gemaakte kosten voor de begrafenis te voldoen. Van Riemsdijk volgde het advies van de Gouverneur op. Op 13 juni 1818 werden de begrafeniskosten aan de weduwe Hoekstra voldaan. Precies vier jaar en drie maanden nadat de schuld was ontstaan.

Reacties